Mijn motto is: altijd zelf blijven nadenken. Dat is moeilijk met alle marketing en social media die ons beïnvloeden. Niks zo leuk als jezelf verwennen met een nieuwe jas of broek. Dat mag wat kosten en met een groen label zijn we goed bezig. Of toch niet? Daarbij ook de vraag: Willen we werkelijk weten hoe het zit? Of sussen we ons geweten?
De kledingindustrie is één van de meest milieubelastende industrieën ter wereld. Bijna een derde van de milieukosten ontstaat in de start van het productieproces. De grondstof dus, zoals katoen en polyester. Katoen, goed voor 35% van alle gebruikte vezels, verbruikt gemiddeld 8000 liter water per kilogram kleding. Voor een T-shirt is dat ruim 2000 liter! Daarnaast is katoen, door de gebruikte pesticiden, zeer milieubelastend. Polyester is wat dat betreft beter, maar is wel een fossiele vezel gemaakt van olie.
De industrie doet zijn best. Er zijn al volop groene labels, die allemaal kloppen:
- Bio katoen, waarbij geen of veel minder bestrijdingsmiddelen gebruikt worden
- Better Cotton Initiative(BCI) die boeren helpt de drie jaar te overbruggen naar Bio-katoen
- Natuurlijke vezels zoals Tencel, die qua draagcomfort vergelijkbaar zijn met katoen, maar minder schadelijk
- Gerecyclede Polyester
- Oeko-tex en GOTS (Global Organic Textile Standard) voor de gebruikte verf -en hulpstoffen
En toch moet het anders. Dertig kledingstukken in de kast zouden genoeg moeten zijn, maar het zijn er gemiddeld 173. Daarvan dragen we er vijftig niet. We gooien ieder jaar zo’n veertig items weg. Zestig procent in het vuilnis, en niet in de kledingcontainer.
We zijn terug bij de start. Vandaar mijn motto: zelf nadenken en keuzes maken. Heb ik het echt nodig? En is het antwoord “ja”, zullen we er dan een duurzame keuze van maken?
De modekleur is groen en dat moeten we samen doen.
