Vol! Zegt de dame achter het internationale loket in Praag chagrijnig. Ze spreekt geen Engels of Duits, dus wat ze bij dat loket doet vraag ik me af. We zijn met de auto naar Dresden gereden en hebben in zes dagen zo’n driehonderd kilometer weggetrapt. Nee, niet elektrisch en ook niet in identiek tenue. We zijn een uitzondering en vinden onszelf stiekem best stoer. Zo op de bonnefooi, allebei op onze oude Gazelle met zijtassen.
Fietsen langs de Elbe door een zonnig heuvelig landschap met mooie en historische plaatsen. Opvallend is daarbij het contrast tussen de oude (gerenoveerde) dorpskernen en de communistische flats aan de rand. Het zwaarst zijn elke dag de laatste kilometers als we afwijken van de route om bij onze overnachtingsplaats te komen. Die liggen veelal iets verder van de rivier, waardoor we toch nog moeten klimmen. Maar we zijn in Tsjechië, dus het grote glas koud bier wacht op ons.
Echt spannend wordt het pas als we op het station van Praag zijn, voor de terugreis naar Dresden. In de intercity is geen plek voor de fietsen. Met de boemeltrein moeten we overstappen in Decin. Het Tsjechisch is onleesbaar en onverstaanbaar, maar de gebaren van het treinpersoneel zijn duidelijk: De bagage moet eraf. We waren ruim op tijd op het station, maar nu wordt het toch nog stressen. We tillen de fiets een meter de lucht in naar het personeel in de bagagecoupé. Dan wordt ons boven alle rumoer uit nóg iets toegeroepen. Dat zou weleens onze bestemming kunnen zijn. “Decin” roepen we en rennen met onze bagage drie coupés naar voren. We ploffen neer en hopen, dat we straks onze fietsen terugzien. En wonderwel is dat het geval. Nu nog een paar stations naar Dresden.
Het is druk in deze trein, we moeten staan. Mijn fiets iets verderop in de wagon en manlief houdt zijn fiets vast. Op het volgende station stapt een jong Nederlands koppel in. We raken, staand bij deze fiets, in gesprek. Ze wijzen vervolgens naar zijn oude Gazelle en vragen “met z’n tweeën op één fiets?”
